Nabestaandenpensioenen (partnerpensioen, bijzonder partnerpensioen en wezenpensioen)

Overzicht van voorbeeldzaken die te maken hebben met nabestaandenpensioenen.

Communicatie over keuzes

Duidelijke communicatie over de gevolgen van keuzes blijft erg belangrijk. Zeker als het om belangrijke zaken als partnerpensioen gaat. In dit geval had meneer op het aanvraagformulier voor zijn pensioen een kruisje gezet bij de keuzemogelijkheid om het partnerpensioen aan zijn pensioen toe te voegen. Hij veronderstelde dat er daardoor bij zijn overlijden een pensioen voor zijn partner zou zijn. Zijn echtgenote zette in goed vertrouwen ook haar handtekening.

Na een aantal jaren krijgt meneer een pensioenopgave en tot zijn schrik staat daar dat het partnerpensioen nul is. Dikke paniek.
Na bemiddeling van de ombudsman was het pensioenfonds gelukkig bereid om de keuze terug te draaien. Dat betekende wel dat een behoorlijk bedrag aan ouderdomspensioen moest worden terugbetaald, maar dat hadden ze er graag voor over.

Geen partnerpensioen

Een klager vond dat zij recht had op het pensioen van haar overleden partner. Ze was erfgenaam en het kon toch niet zo zijn dat het pensioen dat haar partner bij een verzekeraar had opgebouwd, niet zou worden uitgekeerd. Ook uit de door klager zelf verstrekte stukken (uniforme pensioenoverzichten, UPO’s) bleek dat er geen partner vermeld stond en dus geen partnerpensioen was verzekerd. Er stonden bovendien nullen onder een kopje ‘Uw partner krijgt bij overlijden”.

De ombudsman kon klager niet helpen omdat de pensioenuitvoerder via verschillende kanalen aan de inmiddels overleden partner had laten weten dat er geen partnerpensioen verzekerd was en dat voor hem kennelijk geen aanleiding was om contact op te nemen met de pensioenuitvoerder.

Partnerpensioen uitgeruild

Na het overlijden van haar echtgenoot bleek er geen partnerpensioen verzekerd te zijn. De pensioenuitvoerder verklaarde dat het partnerpensioen bij de pensionering van de echtgenoot van klager in 1999 was uitgeruild voor extra ouderdomspensioen. Op geen enkele wijze kon het fonds aantonen, noch aannemelijk maken dat klager wist van de (betekenis van de) uitruil en expliciet hiermee had ingestemd. De pensioenuitvoerder deelde uiteindelijk de mening van de ombudsman en kende alsnog en met terugwerkende kracht aan klager een partnerpensioen toe.

Herstel onvervulde voorwaarde

Alsnog de gelegenheid bieden tot het aantonen van een relatie is niet vrijblijvend.

Na meer dan 25 jaar samenwonen trad een deelnemer in het huwelijk met zijn partner, en overleed onverwacht kort daarna. Op grond van het pensioenreglement bestond geen recht op nabestaandenpensioen. Het fonds stelde de weduwe wel in de gelegenheid om de duurzaamheid van de samenleving aan te tonen, maar toen zij dat had gedaan wees het fonds het verzoek alsnog af. De werkgever hoorde van dit geval en bracht dit onder de aandacht van de ombudsman. Toen de ombudsman het fonds wees op de kort daarvoor gepubliceerde uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 8 oktober 1997 (die het niet redelijk vond om in een dergelijk geval hoop te wekken en die vervolgens de bodem in te slaan) kreeg mevrouw alsnog haar pensioen.

Geen recht op bijzonder partnerpensioen

Klager was van mening dat zij na het overlijden van haar ex-echtgenoot recht had op een zogeheten bijzonder partnerpensioen, het nabestaandenpensioen ten behoeve van een ex-partner. Zij was in 2007 gescheiden. De ex-echtgenoot was in 2016 overleden. In dit geval was er sprake van een partnerpensioen op risicobasis dat al eind 1999 was komen te vervallen door beëindiging van het dienstverband.

De ex-partner had op dat moment kunnen kiezen voor een uitruil van een deel van het ouderdomspensioen naar een partnerpensioen, maar het was duidelijk dat hij hiervoor niet had gekozen. De ombudsman kon niet anders dan klager mededelen dat zij geen recht had op een bijzonder partnerpensioen.

Geen notariële samenlevingsovereenkomst, dus geen nabestaandenpensioen

Mevrouw en meneer wonen al 20 jaar op hetzelfde adres en hebben samen twee kinderen. In 2017 slaat het noodlot toe en overlijdt de man. Mevrouw blijft alleen achter met hun twee kinderen. Tot haar grote schrik krijgt zij van het pensioenfonds van de man te horen dat ze geen recht heeft op nabestaandenpensioen. Het pensioenfonds eist namelijk een samenlevingsovereenkomst die is opgesteld door een notaris. Daar zijn mevrouw en meneer nooit aan toegekomen. Ze wisten ook niet dat dat moest.

De ombudsman gaat in overleg met het pensioenfonds. Daar is de zaak van mevrouw tot en met de Commissie van Beroep behandeld en afgewezen. Het pensioenfonds vindt wel dat sprake is van een duurzaam partnerschap en een zorgplicht voor elkaar, maar het reglement stelt nu eenmaal de voorwaarde van het samenlevingscontract.

De ombudsman vindt dat een pensioenfonds de regels best streng kan toepassen (het zijn nu eenmaal sociale partners die de regels formuleren), maar dan moet het fonds daarover heel goed en duidelijk communiceren. Het pensioenfonds heeft een extra zware zorgplicht om duidelijk te communiceren over pensioenafspraken die voor mensen niet logisch zijn. Niet een keer, maar vaker en heel duidelijk in persoonlijke post. Ook na veel brieven en gesprekken verandert het pensioenfonds niet van mening, mevrouw krijgt geen partnerpensioen. Het pensioenfonds gaat wel de communicatie verbeteren.

Gelukkig gaat een ander pensioenfonds in een soortgelijke situatie na bemiddeling van de ombudsman wel het partnerpensioen uitbetalen.

Geen partnerpensioen voor homo-paar

Twee heren vormen al vanaf 1984 een paar en wonen samen. Ze zouden graag trouwen maar dat kan niet. In 1992 tekenen ze een samenlevingscontract. In 1998 wordt het mogelijk om een geregistreerd partnerschap aan te gaan, waarvan ze meteen gebruik maken. Het homo-huwelijk komt in 2001 in de wet.
In mei 1988 is klager met pensioen gegaan. Het pensioenfonds kent tot 1 juli 1994 alleen een partnerpensioen voor gehuwden. Vanaf 1994 kunnen ook ongehuwd samenwonende stellen hun partner aanmelden voor het partnerpensioen. Klager is dan al met pensioen en het pensioenfonds zegt dat het dan niet meer mogelijk is om de partner aan te melden.
De heren zoeken het hoger op, maar krijgen overal nul op rekest. De regeling was nu eenmaal dat ongehuwd samenwonenden niet in aanmerking kwamen voor partnerpensioen. De ombudsman heeft niets voor de heren kunnen bereiken omdat het fonds het eerder ingenomen standpunt niet wilde herzien.

De ombudsman vindt dit een voorbeeld van een op zich juridisch gezien juiste beslissing die, in de uitvoering niet redelijk uitpakt. De partners waren niet getrouwd; alleen dat was niet hun eigen keuze. Al vele jaren strijden zij voor een gelijke behandeling als geliefden. Het is jammer dat het pensioenfonds bij deze klacht niet heeft gekeken naar het unieke karakter van deze klacht en meer heeft geredeneerd vanuit de huidige tijdgeest.